Proloog
Voor het verhaal van Lucas begint, gebeurt er iets in 1949, aan de grens van Thailand en Birma. Een smokkelaar maakt in het donker een keuze die hij niet hoefde te maken. Zonder het te beseffen zet hij alles in beweging wat volgt.
Zo opent Spel zonder grenzen: met de stille herinnering dat geen enkele ontmoeting toeval is, en dat één keuze generaties ver reikt.
Juli 1949 — Santi Khiri, grensregio Thailand-Birma
Een pezige soldaat van begin de twintig slentert door de verlaten straten van het bergdorp. Na elke stap met zijn rechterbeen sleept hij het linker bij. Een vreemde afdruk op de mulle zandweg. Het is valavond. In de huizen sluiten gezinnen de dag af met het avondmaal, zoekend naar gezelligheid rond het dansende licht van een olielamp. Niemand merkt de moedeloze, in kaki geklede man op. Uitgeput, het instorten nabij, staart hij voor zich uit. Een wanhopige tristesse in de donkere ogen.
Driehonderd meter verder is Wichit net klaar met het laden van zijn oeroude vrachtwagen. Zes keer per jaar maakt hij de negenhonderd kilometer lange tocht naar Bangkok om er zijn waar te verkopen. Die waar is zelfgekweekte papaver in zijn zuiverste vorm. Zijn klant in de hoofdstad verwerkt ze tot een krachtige pijnstiller en bevoorraadt er de ziekenhuizen mee. Onderaan de laadruimte ligt gedroogd gras, daarop een dikke laag slaapbol, net onder de rand van de achterklep, en erbovenop zakken maïs. Papaver is niet het gewas waarmee je betrapt wilt worden. Het plan was vertrekken voor het donker. De kronkelende bergwegen zijn ’s nachts geen sinecure. Een platte band heeft anders beslist.
Hij trekt de riemen van het jute zeil nog eens aan en kijkt omhoog. Volle maan, wolkenloze hemel. De bochten zullen meevallen.
Dan tuurt hij richting de bergen die de grens met Birma markeren en spot een strompelende gedaante. Wie is nu nog op pad? Alsof overvallen en half lam geknuppeld. Wichit snelt erheen en vangt de man op voor die neerzijgt.
Als een zak rijst neemt hij de graatmagere soldaat op zijn schouder. Vijftig kilo, hooguit. Hij voelt de knoken duwen op zijn spieren. Zijn vrouw Saowaluck springt op als hij de deur met zijn voet open duwt. Zonder aarzelen stormt hij door naar de achterkeuken en laat de man op een stapel geplooid karton glijden.
Onmiddellijk dringt een penetrante geur zijn neus binnen, vanonder de kleffe broekspijp van het linkerbeen. Met het keukenmes waarmee de kippen een kopje kleiner worden gemaakt, snijdt hij de stof aan flarden. Wat hij te zien krijgt, heeft hij nog nooit aanschouwd. Wel bij dode dieren die dagen liggen te bederven, maar niet bij een levend mens.
Het vlees rond het scheenbeen lijkt op dat van een rotte appel. Bruin moes, vol witte kronkelende maden. Hij beveelt Saowaluck koud water te halen en grist een handvol gekookte luierdoeken van de wasdraad, de witte lappen die ze elke dag kookt. Dan kijkt hij de jonge man aan, ziet de immense schrik in die bruine ogen, en zegt in het Thais: ‘Wat nu volgt zal vreselijk pijn doen.’
Het houten lemmet van het keukenmes duwt hij tussen de tanden van de soldaat. Een fles zelfgestookte whisky grijpt hij van naast het kapblok en giet het goedje zonder waarschuwing op de open wonde. De man draait weg. Verliest het bewustzijn. De maden krimpen, rollen een voor een uit het aangevreten been. Vijf keer herhaalt Wichit het proces. Dan staat hij recht en loopt kokhalzend naar buiten.
Zijn vrouw weet wat haar te doen staat. Ze dekt de wonde af met verse katoenen lappen, spant ze strak aan, scheurt de laatste in repen en bindt alles potdicht.
· · ·
‘Wat ga je met hem doen?’ vraagt ze.
‘Ik neem hem mee naar Bangkok. Het is hoogstwaarschijnlijk een Chinees van de Kwomintang, gevlucht voor het rode leger. Mijn klant heeft relaties bij apothekers en ziekenhuizen. Ze zullen hem daar verder verzorgen. Zijn been is verloren, maar beter daar amputeren dan hier.’
Ze knikt.
· · ·
Twee uur later rijdt een kleine vrachtwagen het pikdonkere, slapende Chiang Rai uit. Aan het stuur een heftig rokende Thai die blij is de bergwegen achter zich te hebben. In zijn laadruimte papaver, maïs en een slapende Chinese soldaat. Nog tien uur doorbijten daar achterin, denkt hij, en duwt het gaspedaal in.
Dit is nog vóór het echt begint. Hoe het verder loopt en waar het je brengt, ontdek je zelf.
Spel zonder grenzen — Sivali — 212 pagina’s, genaaid gebonden — €23